KLACHT Op 23 oktober 1998 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer H. uit Denemarken, ingediend door de heer He. te Hulsel, met een klacht over een gedraging van de Staatssecretaris van Financi n. Nadat verzoeker zijn verzoekschrift op 21 december 1998 had aangevuld, werd naar deze gedraging een onderzoek ingesteld. Op grond van de door verzoeker verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:Verzoeker klaagt er over dat de Staatssecretaris van Financi n in diens beslissing van 22 december 1997 zijn verzoek van 2 september 1997 heeft afgewezen om de hem in rekening gebrachte invorderingsrente in verband met het tijdstip van betalen van de aanslag inkomstenbelasting 1992 te verminderen tot nihil. ACHTERGROND1. Wet op de inkomstenbelasting 1964(wet van 16 december 1964, Stb. 519) Artikel 14, eerste lid:"Ingeval vergoedingen wegens verlies of beschadiging van een (...) bedrijfsmiddel of de opbrengst bij vervreemding van zodanig bedrijfsmiddel de boekwaarde van dat bedrijfsmiddel dan wel van het beschadigde gedeelte overtreffen, kan bij het bepalen van de in een kalenderjaar genoten winst in elk geval, indien en zolang het voornemen tot vervanging of herstel van het bedrijfsmiddel bestaat, het verschil gereserveerd worden en blijven tot vermindering van de in aanmerking te nemen kosten van vervanging of herstel..."2. Leidraad Invordering 1990(Besluit van de Staatssecretaris van Financi n van 25 juni 1990, nr AFZ90/1990) Artikel 28, 2, tweede en derde lid:"2. Indien als gevolg van een te late betaling terecht rente in rekening wordt gebracht, dient deze te worden betaald. In uitzonderlijke situaties kan er echter aanleiding bestaan rente - hoezeer ook verschuldigd - te verminderen. Deze (strikt individueel te beoordelen) situaties doen zich alleen voor als de ontvanger van mening is dat het feit dat de belastingschuld niet tijdig is voldaan aan de belastingschuldige niet kan worden verweten en bovendien de invordering van rente - gezien de omstandigheden van het specifieke geval - onredelijk en onbillijk is. Een reden voor niet-verwijtbaarheid kan een verhuizing zijn, waardoor de belastingschuldige niet op de hoogte was van de aanslag, terwijl hij wel datgene heeft gedaan dat redelijkerwijs van hem mag worden verwacht om de Belastingdienst in kennis te stellen van zijn nieuwe adres. (...)3. Wanneer de behandeling van een bezwaarschrift meer tijd heeft gevergd dan gebruikelijk is, dient de hierdoor belopen rente volledig te worden voldaan. Er kan slechts aanleiding bestaan voor wat betreft de belopen rente een tegemoetkoming te verlenen als sprake is van buitensporig lange behandeling van een bezwaarschrift, zonder dat de belastingschuldige daarop invloed heeft kunnen uitoefenen. Alsdan kan in extreme, schrijnende situaties, voorzover de alsdan geleden schade hoofdzakelijk het gevolg is van een duidelijk verzuim van de Belastingdienst, een deel van de rente worden verminderd..." ONDERZOEK In het kader van het onderzoek werd de Staatssecretaris van Financi n verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Tevens werd de Staatssecretaris een aantal specifieke vragen gesteld. Ook werd een vraag gesteld aan de Belastingdienst/Ondernemingen Eindhoven. Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De Staatssecretaris van Financi n deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen. Verzoeker gaf binnen de gestelde termijn geen reactie. BEVINDINGEN De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:A. FEITEN1. Verzoeker exploiteerde in maatschapsverband met zijn vader vanaf 1984 een gemengd landbouwbedrijf. In de loop van 1992 verkocht de maatschap een deel van het aan het bedrijf verbonden melkquotum. Voor de met de verkoop van het melkquotum behaalde boekwinst vormde de maatschap een vervangingsreserve als bedoeld in artikel 14 Wet op de inkomstenbelasting 1964.2. Met dagtekening 30 juni 1994 legde de Belastingdienst/Ondernemingen Tilburg (hierna: de Belastingdienst) verzoeker een aanslag inkomstenbelasting op over het jaar 1992. Voorafgaand aan de vaststelling van de aanslag was een boekenonderzoek ingesteld. Bij de vaststelling van de aanslag werd ter zake van de gevormde vervangingsreserve voor het melkquotum een correctie aangebracht. Deze bestond er uit dat het bedrag van de reserve als stakingswinst werd belast.3. Verzoeker tekende op 20 juli 1994 bezwaar aan tegen de opgelegde aanslag inkomstenbelasting 1992. Hij stelde dat de correctie ter zake van de vervangingsreserve ten onrechte was aangebracht, omdat in 1992 het voor de toepassing van artikel 14 Wet op de inkomstenbelasting 1964 vereiste voornemen tot vervanging van het vervreemde melkquotum aanwezig was.4. Op 27 juli 1994 ontving verzoekers gemachtigde van de Belastingdienst een bevestiging van de ontvangst van het bezwaarschrift. In deze brief schreef de Belastingdienst voorts het volgende:"...Het indienen van (...) een bezwaarschrift wordt bij de Belastingdienst tevens beschouwd als een verzoek om uitstel van betaling voor het door u bestreden bedrag. In verband hiermee deel ik u het volgende mede. Ik heb het uitstel verleend totdat op het ingediende bezwaarschrift (...) is beslist. Tevens vestig ik uw aandacht op de belangrijke punten op blz. 2 van deze brief..." Op de bedoelde tweede bladzijde van de brief stond onder meer het volgende:"Rente Als u betaalt na de laatste vervaldag, moet u ook invorderingsrente betalen. Deze rente wordt ook in rekening gebracht als uw schuld pas na de laatste vervaldag wordt verrekend. Elke betaling die u na de laatste vervaldag doet, wordt eerst gebruikt om de invorderingsrente te betalen en eventuele andere kosten te dekken. De invorderingsrente die in rekening wordt gebracht, bedraagt op dit moment 5,25%..." 5. In een brief van 10 augustus 1994 stelde de Belastingdienst verzoekers gemachtigde enige vragen naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift tegen de aanslag inkomstenbelasting 1992.6. Op 11 oktober 1994 gaf verzoekers gemachtigde schriftelijk antwoord op de vragenbrief van de Belastingdienst van 10 augustus 1994.7. Op 13 oktober 1994 deed de Belastingdienst schriftelijk uitspraak op verzoekers bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting 1992. De Belastingdienst wees het bezwaar af en overwoog daarbij het volgende:"...Door belastingplichtige is niet aannemelijk gemaakt dat op balansdatum 31-12-92 het voornemen bestond om nieuw melkquotum aan te schaffen. Slechts de mogelijkheid tot aankoop te zijner tijd wordt opengelaten. Er waren ten tijde van de verkoop c.q. balansdatum geen concrete plannen aanwezig ter aankoop van nieuw melkquotum..." 8. Tegen de uitspraak van 13 oktober 1994 op het bezwaarschrift tekende verzoeker beroep aan bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch. Het beroepschrift kwam bij de griffie van het gerechtshof binnen op 1 december 1994. Het gerechtshof verklaarde verzoeker bij beschikking van 8 maart 1996 niet-ontvankelijk in zijn beroep omdat het beroepschrift te laat was ingediend.9. Op 28 juli 1997 wendde verzoekers gemachtigde zich tot de Belastingdienst met het volgende:"...Hierbij maken wij bezwaar tegen het feit dat door u rente in rekening is gebracht op bovengenoemde aanslag (de aan verzoeker opgelegde aanslag inkomstenbelasting 1992; N.o.). In 1992 is door cli nt en zijn vader, met wie hij in maatschapsverband een landbouwbedrijf exploiteerde, het hen toebehorende melkquotum verkocht. De opbrengst hiervan is door ons als vervangingsreserve gepassiveerd en in 1994, toen duidelijk werd dat cli nt zich in Denemarken wilde vestigen, is de vervangingsreserve door ons in het resultaat verwerkt. Naar aanleiding van een door u gehouden boekenonderzoek is de opbrengst van het melkquotum alsnog verwerkt in het resultaat 1992. Beleefd verzoeken wij tevens om uitstel van betaling tot door u een uitspraak op dit bezwaar is gedaan..."10. Op 2 september 1997 – nog voordat hij een reactie van de Belastingdienst op zijn brief van 28 juli 1997 had ontvangen - wendde verzoekers gemachtigde zich tot de Staatssecretaris van Financi n. Hij schreef het volgende:"...(Wij) verzoeken u hierbij om toepassing van de hardheidsclausule betreffende cli nt in rekening gebrachte invorderingsrente op de hem opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premieheffing 1992 (...). Cli nt, welke samen met zijn vader een landbouwbedrijf exploiteerde, heeft in 1992 zijn aandeel in het hen toebehorende melkquotum verkocht. Omdat er een zeer gerede kans was dat binnen afzienbare tijd melkquotum gekocht zou worden, de infrastructuur van het bedrijf was intact gebleven, is de opbrengst van het melkquotum als vervangingsreserve op de balans per 31-12-1992 gepassiveerd. In de loop van 1994 werd duidelijk dat cli nt zich in Denemarken ging vestigen en is bovengenoemde vervangingsreserve alsnog in het resultaat verwerkt. Tijdens een door de Belastingdienst Ondernemingen Tilburg gehouden boekenonderzoek is, mede omdat het per saldo geen verschil maakte in welk jaar de opbrengst van het melkquotum belast zou worden, de opbrengst bij het inkomen van 1992 geteld. Accoord gaan met deze correctie blijkt achteraf in te moeten houden dat cli nt 12.696 rente in rekening wordt gebracht. Namens cli nt verzoeken wij u hierbij beleefd de eerder in rekening gebrachte rente terug te willen brengen tot nihil..." 11. Eveneens op 2 september 1997 schreef verzoekers gemachtigde de Belastingdienst het volgende:"...Hierbij verzoeken wij u namens cli nt niet tot invordering van het momenteel nog openstaande bedrag ad 11.455,-- + 1.251,-- = 12.696,-- over te gaan tot er een uitspraak is van de Staatssecretaris van Financi n op het ingediende verzoek om toepassing van de hardheidsclausule..."12. Op 22 december 1997 beantwoordde de Staatssecretaris het verzoek van 2 september 1997 als volgt:"...Het verzoek om toepassing van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan in dezen niet aan de orde komen, aangezien bedoelde bepaling niet op de invordering maar uitsluitend op de heffing van belastingen van toepassing is. Wel heb ik in verband met uw verzoek getoetst of uw cli nt wellicht in aanmerking komt voor een matiging van de in rekening gebrachte invorderingsrente. Op grond van beleidsvoorschriften bestaat de mogelijkheid om de verschuldigde invorderingsrente te matigen indien deze terecht in rekening is gebracht - hetgeen in casu het geval is - maar zich omstandigheden voordoen op grond waarvan een matiging op zijn plaats is. Een matiging van de verschuldigde invorderingsrente is mogelijk indien: sprake is van niet-verwijtbaarheid; sprake is van een verzuim van de Belastingdienst bij de behandeling van een bezwaar- of beroepschrift; een te late uitbetaling van een teruggaaf. Uit het ambtsbericht dat de Belastingdienst/Ondernemingen Eindhoven aan mij heeft uitgebracht is mij echter gebleken dat een dergelijke situatie zich in dit geval niet voordoet. In verband hiermede zal ik dan ook geen gevolg geven aan uw verzoek de in rekening gebrachte invorderingsrente terug te brengen tot nihil. Aangezien de behandeling van uw brief langer heeft geduurd dan noodzakelijk - ik stel mij daarbij op het standpunt dat uw brief uiterlijk 31 oktober 1997 had kunnen worden beantwoord - ben ik bereid geen invorderingsrente in rekening te brengen over de periode 1 november 1997 tot aan de dag der betaling mits voldoening van de verschuldigde invorderingsrente plaatsvindt binnen 10 dagen na dagtekening van deze brief. Ten aanzien van uw mededeling dat het accoord gaan met een correctie over het jaar 1992 tot gevolg heeft gehad dat aan uw cli nt invorderingsrente in rekening is gebracht, merk ik op dat de inspecteur mij heeft bericht dat de vervangingsreserve terecht in 1992 tot de winst is gerekend. Overigens dient dit aspect te worden ingebracht in een bezwaar- c.q. beroepsprocedure tegen de aanslag en kan niet worden betrokken in een toetsing of de invorderingsrente kan worden gematigd..."
B. STANDPUNT VERZOEKER
1. Voor het standpunt van verzoeker wordt verwezen naar de klachtsamenvatting onder