2012/159: OM weigert proces-verbaal met gegevens taxichauffeur voor het verhalen van de schade aangereden man

Rapport

Rapport over een klacht over het arrondissementsparket te Amsterdam en het College van procureurs-generaal te Den Haag.

Publicatiedatum
Publicatienummer
2012/159

Toedracht

1. Verzoeker heeft in de vroege ochtend van 19 juni 2011 een aanrijding gehad met de fiets. Hij kwam in botsing met een taxi, is daarbij gevallen en had erge pijn aan zijn knie. Een andere fietser, die de klap hoorde, is naar de plek van de aanrijding gegaan en heeft de taxichauffeur aangesproken. Die vertrok daarna. Verzoeker is op eigen kracht naar huis gegaan.

Daar hebben de ouders van verzoeker de politie gebeld. Twee agenten hebben verzoeker dezelfde ochtend nog bezocht; hij kon zijn knie toen al niet meer bewegen.

2. Drie dagen later heeft hij aangifte gedaan bij de politie. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt waarin een korte verklaring van verzoeker staat over de toedracht van de aanrijding en het gedrag van de chauffeur daarna. Verder vertelde hij over het letsel; MRI-scan gemaakt, uitslag 29 juni, er is iets met de knie, been zit uit voorzorg in het gips. Hij verzoekt de politie een onderzoek in te stellen naar de identiteit van de bestuurder van de taxi en van dat voertuig en geeft op zijn schade op die bestuurder te willen verhalen.

De verbalisant vermeldt in het proces-verbaal dat verzoeker aangifte kwam doen "ter zake verlaten plaats na verkeersongeval".

3. Op 30 juni 2011 gaf de verbalisant telefonisch aan verzoeker door dat de taxichauffeur niet zou worden vervolgd. Deze beslissing was gevallen naar aanleiding van telefonische informatie van de receptioniste van de taxicentrale.

Naderhand is nog wel enig onderzoek verricht: op 4 juli is de andere fietser als getuige gehoord en rond die datum heeft de politie de taxichauffeur als verdachte gehoord.

De officier van justitie, althans een parketmedewerker namens hem, heeft besloten tot seponering wegens onvoldoende bewijs dat het strafbare feit "verlaten plaats ongeval" is gepleegd. Dit is bij brief van 15 juli 2011 aan verzoeker meegedeeld.

4. Verzoekers vader schreef het parket daarop dat beklag bij het hof zou worden gedaan. Hij vroeg om verstrekking van het proces-verbaal ter voorbereiding van een beklagprocedure tegen het sepot en van een civiele aansprakelijkstelling van de chauffeur. Dat werd geweigerd, waarna verzoeker in een laatste brief aan de hoofdofficier van justitie benadrukte dat het bij deze aangifte gaat om een misdrijf (art. 7 WVW; zie hierna bij Achtergrond, N.o.) en een aanrijding met ernstig letsel. Het College van procureurs-generaal sloot zich bij de weigering aan.

5. De gang van zaken en de uitkomst waren voor verzoeker en zijn vader aanleiding om de kwestie aan de Nationale ombudsman voor te leggen. In samenspraak met verzoeker is ervoor gekozen om de behandeling van de klachten toe te spitsen op de weigering om in situaties als hier aan de orde informatie over de identiteit van de betrokken bestuurder en de toedracht van de aanrijding te verstrekken aan de daarbij gewond geraakte verkeersdeelnemer.

De door de Nationale ombudsman onderzochte klacht

6. Ten behoeve van zijn onderzoek heeft de Nationale ombudsman de klacht als volgt geformuleerd:

Verzoeker heeft het arrondissementsparket Amsterdam gevraagd om verstrekking van een proces-verbaal dat is opgemaakt naar aanleiding van een verkeersongeval waarbij hij gewond is geraakt. Hij klaagt erover dat het verzoek is afgewezen, dat een deugdelijke motivering ontbreekt en dat het parket hem de gegevens over de betrokken automobilist heeft onthouden, terwijl deze automobilist verplicht was zijn identiteit bekend te maken omwille van de schadeafhandeling.

Standpunt verzoeker

7. In de eerste brief aan het Openbaar Ministerie (d.d. 17 juli 2011) waarin de vader van verzoeker verzocht om het proces-verbaal, staat onder meer:

"Inmiddels zit mijn 18 jarige zoon al bijna 4 weken in het gips op de bank en hij moet waarschijnlijk worden geopereerd. Ook loopt hij inkomsten mis omdat zijn vakantiebaantje in de horeca niet door ging. Het ergste is nog dat, hoewel de identiteit van de dader bekend is bij de politie, het slachtoffer daarvan onwetend wordt gelaten en dat de dader zich zelf ook niet meldt. Dit alles in weerwil van de strekking van art. 7 Wegenverkeerswet. Graag verneem ik hoe ik een kopie van het proces-verbaal kan krijgen. Dit heb ik nodig om de verzekeraar van de auto, maar ook de chauffeur hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de schade."

8. In het verzoekschrift aan de Nationale ombudsman beroept de vader van verzoeker zich op de ratio van art. 7 WVW: het veiligstellen dat de betrokkene na een ongeval in staat wordt gesteld veroorzaker aansprakelijk te stellen voor de schade. In deze zaak weten politie, justitie en de taxibestuurder dat de fietser (verzoeker) gewond is geraakt. De bestuurder heeft zijn identiteit nooit aan verzoeker kenbaar gemaakt, zoals het parket weet. Toch weigert het parket om het proces-verbaal met de gegevens van de bestuurder te verstrekken. De reden is het sepot, maar dat betreft alleen art. 7 WVW (verlaten plaats ongeval), niet art. 6 WVW (door schuld letsel veroorzaken; zie Achtergrond, N.o.), zo wordt in het verzoekschrift opgemerkt.

Daarin wordt verder gewezen op een ongerijmde consequentie van het sepot als contra-indicatie. Wanneer een bestuurder na een ongeval wegrijdt zonder zijn identiteit bekend te maken aan de andere weggebruiker, maar dit binnen 12 uur alsnog bij de politie doet, is strafvervolging uitgesloten; een aangifte zal worden geseponeerd. De contra-indicatieregel brengt dan mee dat het slachtoffer geen verhaal kan zoeken op de bestuurder omdat deze voor hem onbekend zal blijven. Dat kan niet de bedoeling zijn.

9. Verzoekers vader heeft later in het onderzoek van de Nationale ombudsman nog aangegeven wel te begrijpen dat bij het opstellen van de Aanwijzing (de Aanwijzing Wjsg van het College van procureurs-generaal; zie hierna onder Achtergrond, N.o.), waarop de weigering is gebaseerd, nooit is gedacht aan het in strafrechtelijk opzicht wat afwijkende beschermde belang van art. 7 WVW in vergelijking met gewone misdrijven. Hij vervolgt:

"Het zou het Openbaar Ministerie sieren om dat toe te geven, zeker nu zij de laatste tijd campagne voert om ons burgers duidelijk te maken dat het slachtoffer meer op de eerste plaats moet komen. Klager (verzoeker, N.o.) heeft daarvan in ieder geval niets gemerkt sinds hij op 22 juni 2011 aangifte heeft gedaan."

Standpunt Openbaar Ministerie en minister van Veiligheid en Justitie

10. In een brief van 8 september 2011 aan verzoekers vader is namens de hoofdofficier van justitie te Amsterdam verwezen naar de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) en de Aanwijzing Wjsg. Op basis daarvan kan het Openbaar Ministerie aan slachtoffers in beginsel wel persoonsgegevens verstrekken ten behoeve van schadeverhaal. Maar dat is anders wanneer, zoals hier, is geseponeerd wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Het College van procureurs-generaal sluit zich in een brief van 4 oktober 2011 bij dit standpunt aan en komt tot de conclusie dat het proces-verbaal niet kan worden verstrekt.

11. Op verzoek van de Nationale ombudsman heeft de minister van Veiligheid en Justitie zijn standpunt over de in onderzoek genomen klacht gegeven. Hij lichtte allereerst toe waarom het proces-verbaal niet via de Stichting Processen Verbaal door de politie kon worden verstrekt: in de Aanwijzing informatieverstrekking verkeersongevallen is opgenomen dat niet de politie kan verstrekken, maar dat de officier van justitie de afweging moet maken wanneer het processen-verbaal betreft die (mede) gaan over een misdrijf uit de WVW (waaronder art. 7, verlaten plaats ongeval).

12. Het standpunt van de minister omtrent verstrekking door het Openbaar Ministerie sluit aan bij dat van parket en College. Hij benadrukt dat gegevens niet mogen worden verstrekt op grond van het enkele belang dat een derde (bijvoorbeeld een aangever, N.o.) daarbij heeft. Verstrekking voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden is alleen mogelijk als het past binnen de taakuitoefening van de officier van justitie of advocaat-generaal en voor zover dit genoodzaakt wordt door een zwaarwegend algemeen belang. Uitgangspunt is dat in beginsel strafvorderlijke gegevens alleen worden verstrekt indien er een vonnis is van de rechter.

Sepot wegens onvoldoende bewijs is één van de contra-indicaties voor verstrekking. "De ratio hiervan is dat, op het moment dat het Openbaar Ministerie tot het oordeel komt dat er onvoldoende bewijs is dat een verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, deze gevrijwaard moet blijven van het verstrekken van diens gegevens over het niet te bewijzen strafbare feit", aldus de minister.

13. Over de reden van het sepot in de onderhavige zaak heeft de minister in zijn brief van 23 maart 2012 nog opgemerkt dat volgens het Openbaar Ministerie de automobilist in de veronderstelling mocht verkeren dat de situatie van art. 7 lid sub a WVW - bij het ongeval is letsel of schade toegebracht - zich niet voordeed.

De Nationale ombudsman begrijpt deze laatste opmerking aldus, dat dit het standpunt is geweest van het Openbaar Ministerie ten tijde van het sepot in juli 2011. In een brief van 1 december 2011, geschreven in het kader van een beklagprocedure ex art. 12 Sv tegen het sepot, heeft de hoofdofficier van justitie te Amsterdam namelijk geconstateerd dat de taxichauffeur redelijkerwijs (wél) had kunnen vermoeden dat de fietser letsel had opgelopen.

14. In zijn brief van 23 maart 2012 aan de Nationale ombudsman komt de minister, in navolging van het College, tot de conclusie dat het parket te Amsterdam het verzoek om stukken heeft afgedaan conform de toepasselijke wet- en regelgeving. "Op grond van de Wjsg en de Aanwijzing bestond er geen mogelijkheid om het proces-verbaal te verstrekken", aldus de minister.

Hij acht de klacht ongegrond.

Ten slotte deelde hij mee dat het College in de kwestie van verzoeker aanleiding heeft gezien om te onderzoeken of de Aanwijzing Wjsg dient te worden aangepast.

Overige bevindingen

15. Het gerechtshof te Amsterdam heeft op 30 januari 2012 in de beklagprocedure de vervolging van de taxichauffeur bevolen. Verzoeker heeft de Nationale ombudsman geïnformeerd dat de behandelend officier van justitie heeft besloten tot vervolging ter zake art. 7 WVW en art. 6 WVW.

In het kader van de art. 12 Sv procedure heeft verzoeker het tegen de taxichauffeur opgemaakte proces-verbaal gekregen, althans ingezien.

Beoordeling

16. Verzoeker is gewond geraakt bij een aanrijding met een taxi. De chauffeur is gestopt en uitgestapt, maar heeft zijn identiteit niet bekend gemaakt. Naderhand geeft verzoeker aan de politie op dat hij zijn (letsel)schade wil verhalen. Hij weet niet wie de bestuurder is en vraagt de politie daarbij om hulp. De politie achterhaalt de chauffeur, maar wil diens identiteit niet aan verzoeker bekend maken. Een verzoek om verstrekking van het proces-verbaal wordt door het parket Amsterdam afgewezen en het College komt tot eenzelfde conclusie.

17. De belangen van het slachtoffer, waaronder zijn belang dat schade die door het strafbare feit is toegebracht wordt vergoed, krijgen in de strafrechtspleging meer en meer erkenning. Het Openbaar Ministerie rekent het tot zijn taak om - met inachtneming van diverse voorwaarden - aan slachtoffers vertrouwelijke gegevens te verstrekken die zij nodig hebben om schade op de dader te verhalen. Daarbij gelden wettelijke beperkingen en richtlijnen (zie de Aanwijzing onder 3. en 4. in de Achtergrond). Als niet te bewijzen is dat de verdachte het feit werkelijk heeft gepleegd (vrijspraak, technisch sepot), dan worden gegevens in beginsel niet verstrekt.

In deze zaak is sprake van een sepot ter zake verlaten plaats ongeval.

Het Openbaar Ministerie is er ten onrechte aan voorbij gegaan dat de schade die verzoeker heeft geleden het gevolg is van een ándere, vermoedelijk strafbare, gedraging van de taxichauffeur, namelijk de wijze waarop hij zijn voertuig heeft bestuurd. Het ligt in de rede dat hij daarbij een verkeersregel uit het RVV heeft overtreden en mogelijk heeft hij het delict van artikel 6 WVW (door schuld letsel veroorzaken) gepleegd.

18. Door in de afwijzende beslissing op het verzoek om gegevens niet te onderscheiden tussen de gedraging waardoor schade is toegebracht, en de verdenking ter zake waarvan het sepot heeft plaatsgevonden, heeft het Openbaar Ministerie die beslissing niet deugdelijk gemotiveerd. Daarmee heeft het Openbaar Ministerie gehandeld in strijd met het vereiste van goede motivering. Dat vereiste is een uitwerking van het uitgangspunt dat overheidsinstanties bij de uitvoering van hun taken op een behoorlijke manier moeten omgaan met burgers en hun belangen. Zij communiceren open en duidelijk en leggen beslissingen op een voor de burger begrijpelijke wijze uit, onder meer door aan te geven van welke feiten wordt uitgegaan.

19. Naar het oordeel van de Nationale ombudsman staat de omstandigheid dat een sepot wegens onvoldoende bewijs in de Aanwijzing is genoemd als een contra-indicatie, gelet op de ratio ervan, in dit geval niet in de weg aan verstrekking aan verzoeker van gegevens (uit de processen-verbaal van politie) die dienstig zijn voor schadeverhaal. Die ratio is dat de verdachte bij een niet bewijsbaar feit gevrijwaard moet blijven van verstrekking van informatie daarover. Daaraan kon in dit geval worden tegemoetgekomen door verzoeker niet te informeren over verklaringen en dergelijke die betrekking hebben op de geseponeerde verdenking van overtreding van artikel 7 WVW.

20. Bij gebreke van een relevante contra-indicatie had het Openbaar Ministerie de betrokken belangen moeten afwegen en verzoeker daarover informeren. Dat vloeit voort uit het redelijkheidsvereiste.

Het belang van de (gewezen) verdachte is hier dat zijn identiteit niet buiten de kring van politie en justitie bekend raakt. Dit belang verdient nadere beschouwing omdat het hier gaat om een specifieke categorie gebeurtenissen waardoor de (letsel)schade is ontstaan: een verkeersongeval waarbij een gemotoriseerd voertuig betrokken was.

Verkeersongevallen met letsel of materiële schade zijn aan de orde van de dag. Dat schadeafwikkeling vlot en efficiënt plaatsvindt, kan een maatschappelijk belang worden genoemd. Er is een speciale voorziening - de Stichting processen-verbaal - voor de verstrekking aan belanghebbenden van gegevens over verkeersongevallen die zijn opgenomen in processen-verbaal van politie. Ten behoeve van de schadeafwikkeling hebben verzekeraars een formulier ontwikkeld waarop betrokkenen bij een aanrijding gezamenlijk de relevante gegevens noteren en indienen bij de verzekeraar. Daarmee wisselen betrokkenen ook informatie uit over hun identiteit en over hun visie op de toedracht van het ongeval. Dat vormt een indicatie dat het niet meer dan normaal wordt gevonden dat verkeersdeelnemers die bij een aanrijding betrokken zijn geraakt door het opgeven van hun naam, adres en dergelijke meewerken aan afhandeling van de schade. In veel gevallen is het zelfs strafbaar na een aanrijding te vertrekken zonder de eigen identiteit (en eventueel voertuiggegevens) bekend te maken: wanneer (kenbaar) schade of letsel is veroorzaakt.

21. Dit is relevant voor de afweging van belangen die het Openbaar Ministerie had moeten maken nu het sepot geen deugdelijke grond was om in het geheel geen gegevens te verstrekken. Het betekent naar het oordeel van de Nationale ombudsman dat het belang van de chauffeur om niet bij de schadelijdende partij bekend te worden als betrokken bij het ongeval nauwelijks gewicht toekomt, afgezet tegen het belang van die ander om tot een vlotte, correcte afwikkeling van schade te komen. Aan dat belang had kunnen worden tegemoetgekomen met verstrekking aan verzoeker van gegevens omtrent identiteit van de taxichauffeur, de auto en de verzekeraar.

De onderzochte gedraging is overwegend niet behoorlijk.

22. Omdat verzoeker via de beklagprocedure van art. 12 Sv inmiddels de gegevens heeft verkregen die eerder waren geweigerd, bestaat er geen aanleiding voor een aanbeveling in die zin ten behoeve van verzoeker.

Voor andere verkeersslachtoffers in een vergelijkbare positie is wel een voorziening nodig. Het College van procureurs-generaal heeft in maart 2012 laten weten de Aanwijzing Wjsg opnieuw te willen bezien. In september 2012 heeft het College de Nationale ombudsman bericht dat besluitvorming plaatsvindt over een voorstel tot aanpassing van de Aanwijzing Wjsg en dat het streven is dit in eind 2012 af te ronden.

Om te bevorderen dat dit leidt tot een concreet resultaat waarbij wordt geput uit de inzichten die deze zaak heeft opgeleverd, doet de Nationale ombudsman in aanbeveling in deze zin.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging, die wordt toegerekend aan de minister van Veiligheid en Justitie is:

niet gegrond, voor zover deze betreft de weigering een kopie te verstrekken van het proces-verbaal dat is opgemaakt tegen de taxichauffeur ter zake verlaten plaats ongeval (art. 7 WVW),

gegrond, voor zover deze betreft de weigering om verzoeker de gegevens uit het proces-verbaal te verstrekken die hij nodig had voor verhaal van de schade,

wegens schending van het vereiste van goede motivering en het redelijkheidsvereiste.

Aanbeveling

De Nationale ombudsman geeft de minister van Veiligheid en Justitie in overweging de Aanwijzing Wjsg aldus aan te passen dat na een ongeval tussen twee verkeersdeelnemers een sepot of vrijspraak van het delict "verlaten plaats ongeval" (art. 7 WVW) van de ene verkeersdeelnemer niet in de weg staat aan verstrekking van diens gegevens aan de andere verkeersdeelnemer, voor zover deze die informatie nodig heeft voor verhaal van schade door het ongeval.

De Nationale ombudsman,

dr. A.F.M. Brenninkmeijer

Achtergrond

1. Wegenverkeerswet 1994

Artikel 6

"Het is een ieder die aan het verkeer deelneemt verboden zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de normale uitoefening van de normale bezigheden ontstaat."

Artikel 7

"1. Het is degene die bij een verkeersongeval is betrokken of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt, verboden de plaats van het ongeval te verlaten indien:

a. bij dat ongeval, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander is gedood dan wel letsel of schade aan een ander is toegebracht;

b. daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander aan wie bij dat ongeval letsel is toegebracht, in hulpeloze toestand wordt achtergelaten.

2. Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing op degene die op de plaats van het ongeval behoorlijk de gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van zijn identiteit en, voor zover hij een motorrijtuig bestuurde, tevens van de identiteit van dat motorrijtuig."

2. Aanwijzing verstrekking strafvorderlijke gegevens voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden (Aanwijzing Wjsg, 2010)

De minister heeft in zijn reactie op de klacht belangrijke passages uit de aanwijzing geparafraseerd. (Zie de rapporttekst hiervóór onder nr. 12.) Verder is uit de aanwijzing nog het volgende relevant.

2. Beginselen bij informatieverstrekking

(…)

"Verstrekking van méér informatie dan nodig voor het nastreven van een van de in art. 39f Wjsg genoemde doeleinden dient te allen tijde achterwege te blijven (noodzakelijkheidscriterium)."

De Aanwijzing noemt als mogelijkheden om geselecteerde relevante delen te presenteren onder andere het verstrekken van enkele pagina's uit een proces-verbaal en het vermelden van relevante informatie.

3. Beoordelingsstructuur

Onder dit kopje staat onder meer vermeld dat er sprake moet zijn van noodzakelijkheid (van verstrekken) voor een goede taakvervulling van het OM.

"Het behoort in beginsel tot de taak van het OM aan de aldaar (par. 4, zie hieronder N.o.) genoemde instanties te verstrekken onder de overige voorwaarden die de Wjsg en deze aanwijzing stellen.(…)

De vraag of met de verstrekking een zwaarwegend algemeen belang wordt gediend, heeft ten doel een afweging te bewerkstelligen tussen de privacybelangen die worden geschaad bij verstrekking van informatie en het doel waarvoor die privacyinbreuk plaatsvindt."

4. Ontvangers

"Op basis van art 39f lid 1 Wjsg kunnen voor de aldaar genoemde doelen in ieder geval aan de volgende personen en instanties strafvorderlijke gegevens worden verstrekt.

a)….e)

f) het verlenen van hulp aan slachtoffers en anderen die bij een strafbaar feit betrokken zijn

f.1) (…)

f.2) Ten behoeve van de vergoeding aan het slachtoffer van de schade die is ontstaan als gevolg van een strafbaar feit, kunnen de daarvoor benodigde strafvorderlijke gegevens worden verstrekt aan:

I Degenen die rechtstreeks schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit, voor zover geen sprake is van een geval waarop artikel 51d Sv betrekking heeft;

II Verzekeraars van direct betrokkenen