Verzoeksters dochter ondervond als gevolg van ernstige spraak- en taalmoeilijkheden op het regulier onderwijs grote leer- en sociaal-emotionele problemen. Verzoekster diende in dat verband op 11 december 2006 een indicatieaanvraag in bij de Commissie voor de Indicatiestelling (CvI) van het Regionaal Expertisecentrum Zeon. De CvI besliste op 20 juli 2007 op deze aanvraag. Verzoekster klaagde bij de Nationale ombudsman over de afhandeling van haar aanvraag en over de wijze waarop de CvI haar klacht had behandeld.
De Nationale ombudsman oordeelde dat de CvI door verzoeksters dossier ter verdere behandeling door te sturen naar het Regionaal Diagnostisch Team niet in strijd handelde met het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, nu dit team niet als derde kon worden aangemerkt. Hetzelfde gold voor het versturen van afschriften van bepaalde brieven door de CvI aan de betrokken school voor voortgezet speciaal onderwijs. De onderzochte gedraging was op dit punt behoorlijk.
Verder achtte de Nationale ombudsman het uit een oogpunt van correcte bejegening niet juist dat de CvI op een bepaald moment niet is ingegaan op een door verzoekster aangevraagd gesprek om een dreigende impasse in de behandeling van haar aanvraag te doorbreken. Op dit klachtonderdeel was de gedraging niet behoorlijk.
Verzoekster klaagde er voorts over dat de voorzitter van de CvI, die betrokken was bij de klacht, de klacht zelf heeft behandeld. Naar analogie van artikel 9:7, tweede lid Awb was in dit geval naar het oordeel van de Nationale ombudsman de handelwijze van de voorzitter van de CvI gerechtvaardigd. Hij nam daarbij ook in aanmerking dat dat de CvI een relatief klein bestuursorgaan is waarbij de mogelijkheden ontbreken om de klacht door een andere medewerker te laten behandelen. Ter voorkoming van de schijn van partijdigheid was het zorgvuldiger geweest als de CvI de klacht door een andere medewerker of een onafhankelijke klachtencommissie had laten behandelen. Met instemming nam de Nationale ombudsman kennis van het voornemen van de CvI om ten behoeve van de klachtbehandeling een onafhankelijke klachtencommissie in te stellen.
De CvI werd in overweging gegeven om bij het ontbreken van gegevens aanvragers in een zo vroeg mogelijk stadium op schriftelijke wijze expliciet duidelijk te maken welke gegevens nog ontbreken om te kunnen beslissen op de aanvraag en daarbij een redelijke termijn te stellen voor het indienen van de ontbrekende stukken.
Overige klachtonderdelen:
reageren op gestelde vragen
behandelingsduur indicatieaanvraag en bezwaarschrift
horen van verzoekster
versturen van een gemotiveerd besluit